Een transgender identiteit hebben is géén pathologie, al kwamen voorheen diagnoses als transseksualiteit of genderidentiteitsstoornis wel nog voor in de internationale classificatiesystemen voor psychische stoornissen, zoals de DSM en ICD. In de huidige DSM-5 is genderdysforie opgenomen als diagnose: het conflict tussen het toegewezen geboortegeslacht en de genderidentiteit.

Genderdysforie moet dan wel eerder opgevat worden als een conditie waar men tijdelijk aan lijdt, die kan verlicht worden door behandeling, niet als een psychiatrische stoornis an sich. Deze invulling volgt de zienswijze van de World Professional Association for Transgender Health (WPATH, 2012) zoals geformuleerd in haar Standards of Care 7: er is een verschil tussen transgender of gendernonconform zijn en genderdysforie hebben, en door behandeling kan het lijden onder de genderidentiteit worden opgelost. Gendernonconformiteit verwijst naar de mate waarin iemands genderidentiteit, -rol of –expressie verschilt van de culturele normen die voorgeschreven worden voor mensen van een bepaald geslacht, genderdysforie verwijst enkel naar het lijden onder de incongruentie tussen geboortegeslacht en genderidentiteit (SOC7, p. 5). Een diagnose is dus enkel nodig als personen significant lijden onder deze incongruentie. WPATH benadrukt verder dat gendervariatie op zichzelf niet pathologisch is en dus niet als mentale stoornis zou moeten geclassificeerd worden (SOC7, p. 4).

Niet alle transpersonen lijden immers per definitie onder hun genderidentiteit. Personen kunnen perfect een gendervariante identiteit of –expressie hebben zonder dat hier enige behandeling of begeleiding mee gepaard gaat. Wanneer transpersonen een vorm van behandeling wel noodzakelijk vinden, dan heeft deze voornamelijk als doel de genderdysforie te verlagen, maar de behandeling zelf is ook zeer individueel op te vatten. Het verschilt sterk van persoon tot persoon wat deze nodig acht om de genderdysforie te verlagen: sommigen vinden een genderconfirmerende operatie noodzakelijk, voor anderen volstaat enkel psychologische begeleiding en/of hormoontherapie. Er bestaat niet zoiets als het ‘juiste’ traject dat transpersonen moeten afleggen doorheen hun transitie.

Uit onderzoek is gebleken dat zogenaamde ‘reparatieve therapieën’ met als doel de transpersoon de genderidentiteit die bij het geboortegeslacht hoort te doen aanvaarden niet effectief zijn om genderdysforie te verlagen (Drescher, 2013). Dit soort therapieën wordt dan ook ondertussen als zeer onethisch beschouwd. De huidige medische procedures en protocollen voor psychologische begeleiding en genderconfirmerende behandeling zijn dan weer wel zeer effectief gebleken om het welzijn van transpersonen die een medische behandeling wensen te verhogen (WPATH, 2008). Deze kan je onder meer terug vinden in de Standards of Care van de World Professional Association for Transgender Health (WPATH).

Joz Motmans