De autisme spectrum stoornis (ASS) wordt gekenmerkt door problemen in sociale communicatie en interactie, samen met repetitief gedrag en specifieke interesses. In de DSM-5 wordt een meer dimensioneel perspectief gehanteerd om de diversiteit van autismegerelateerde stoornissen te beschrijven. De prevalentie van ASS in de algemene bevolking is toegenomen, en bedraagt naar schatting 1%. Het is nog onduidelijk of deze stijging te maken heeft met een reële toename, of een verbeterde detectie. Het samen voorkomen van ASS en genderdyforie (GD) is tot op heden slechts beperkt onderzocht, maar studies wijzen in de richting van een verhoogde co-occurrentie. Bij volwassenen met GD wordt een 5-voudige verhoging van ASS en/of autistische trekken gerapporteerd. Ook bij kinderen en jongeren met de diagnose ASS worden vaker GD en/of een atypische genderontwikkeling vastgesteld. Het is onduidelijk hoe beide stoornissen onderling in verband staan, waarschijnlijk is er een complex causaal verband, waarbij biologische, sociale en psychologische factoren een rol spelen (Van Der Miesen et al., 2016).

Op klinisch vlak is het van belang te weten wat de impact is van het gezamenlijk voorkomen van ASS en GD. In eerste is het van belang te exploreren of de genderdysfore gevoelens onafhankelijk bestaan van de autismegerelateerde symptomen. Mogelijke valkuilen hierbij zijn dat genderdysfore gevoelens worden geïnterpreteerd als een onderdeel van de ASS, of beperkingen in de sociale communicatie en interactie worden beschouwd als een onderdeel van de GD.  Indien vaststaat dat beide diagnoses effectief aanwezig zijn, is het aangewezen om een aangepaste begeleiding en, zo nodig, behandeling voor de GD op te starten. Wel wordt aangeraden een langduriger diagnostische periode in te lassen, en beslissingen met betrekking tot genderaanpassende behandeling trager te nemen. Ook is het van belang deze patiënten maximaal te motiveren tot participatie in het diagnostisch en therapeutisch proces. Hoewel in de regel patiënten met GD gestimuleerd worden om te leven in het gewenste gender, zal dit bij deze groep vaak moeilijker zijn en meer tijd kosten. Het opstarten van de (hormonale) behandeling kan in zo’n geval de drempel tot outing verlagen. Globaal kan gesteld worden dat bij patiënten met GD en ASS de begeleiding en behandeling grotendeels vergelijkbaar verlopen vergeleken met patiënten met GD zonder ASS, met inachtname van het tempo van de patiënt en een flexibele opstelling vanwege de hulpverlener (Strang et al., 2016).

 

Gunter Heylens