De instroom in transgenderzorg neemt de laatste jaren enorm toe. Het aandeel ouderen in deze instroom is gedurende de start van het genderteam aan het UZ Gent steeds minimaal geweest, en ook uit de cijfers van het rijksregister (1 januari 1993 t.e.m. 30 juni 2016) blijkt dat slechts 9 personen ouder dan 65 jaar hun officiële geboorteakte lieten aanpassen. Dit betekent echter niet dat er in deze leeftijdsgroep minder personen transgender zouden zijn in vergelijking met jongere leeftijdscohortes, wel dat zij in hun jeugd en volwassen leven hoogstwaarschijnlijk weinig tot geen informatie vonden, en dat er destijds ook weinig zorg voorhanden was in België.

Het is dus niet ongewoon dat er oudere (65+) cliënten zich aanmelden met een verhaal of vraag naar transgenderzorg. De levensfase waarin eventuele kinderen uit huis zijn, het sociale netwerk dat verandert door pensionering en het heengaan van familie en vrienden, brengt mogelijks een situatie teweeg waarin de oudere transpersoon in een crisis belandt en zij zich afvragen ‘wie ben ik nu eigenlijk?’ (Ettner, 2013). De herinnering aan een leven ‘geleefd voor anderen’ kan een gevoel van bevreemding met zich meebrengen, en mogelijks de identiteitsvragen terug op de voorgrond plaatsen.

Om naar de zorg te stappen moeten zij  vele barrières overwinnen die te maken hebben met stigma, angst en schaamte, alsook met het gebrek aan zorgverleners met kennis van zaken (Shires & Jaffee, 2015; Wylie et al., 2014). Deze barrières zorgen voor een deel van de oudere transpopulatie voor zelfmedicatie – nl. het gebruik van hormonale middelen via het internet. Onderzoek wijst uit dat de transpersonen die op eigen houtje hormonale producten aankopen, veelal transvrouwen en ouderen zijn , en dat zij weinig kennis hebben over de effecten en risico’s verbonden aan HRT (Kreukels et al., 2012; Mepham, Bouman, Arcelus, Hayter, & Wylie, 2014; Simonsen, Hald, Giraldi, & Kristensen, 2015).

In het algemeen blijven de behandelingsopties voor oudere (gezonde) transpersonen dezelfde, en kunnen zij ook indien gewenst HRT en chirurgie verkrijgen, al moeten de verhoogde risico’s gepaard met deze behandelingen duidelijke met hen besproken worden zodat zij een geïnformeerde beslissing kunnen nemen (Bouman et al., 2016). Sommige chirurgen hanteren leeftijdslimieten van 65 jaar voor ingrijpende chirurgie. Hulpverleners dienen dan ook op te letten voor ‘agisme’ en zich te behoeden voor een overtuiging dat het ‘te laat is voor aan behandeling’.

Opvolging oudere transpersonen

Er is tot op heden weinig tot geen systematisch onderzoek naar de socio-demografische en klinische kenmerken van oudere transpersonen (Bouman et al., 2016). In het algemeen onderzoek naar ouderen worden holebi- en transouderen daarenboven vaak over het hoofd gezien. Het onderzoek dat wel bestaat handelt meestal over het gebrek aan gepaste diensten voor oudere gender-nonconforme en transpersonen (Witten & Eyler, 2012), beschrijft case-reports e.d. In een grote review naar zorg bij levenseinde bleek dat er geen studies voorhanden zijn die specifiek stilstaan bij de ervaringen van transgender ouderen in rust- en verzorgingstehuizen (Harding, Epiphaniou, & Chidgey-Clark, 2012). Wel duiden sommige case reports op de zorgen die trans ouderen hebben m.b.t. hun levenseinde (hun wens om waardig te sterven, onder de juiste naam begraven te worden bv) en over de zorgen die zij hebben over hun eventuele opnamen in RVT’s (bv de omgang met verzorgend personeel).

Gezondheidsaspecten gelinkt aan het ouder worden gelden vanzelfsprekend ook voor oudere transpersonen. Uit onderzoek blijkt dat transpersonen meer roken en meer aan middelengebruik (bv alcohol) doen. Ook het probleem van suïcidale gedachten, algemeen bekend bij ouderen, is een verhoogd aandachtspunt bij transouderen. Op het vlak van levenskwaliteit is het algemeen bekend dat ouderen vaak een verminderde levenskwaliteit vertonen in vergelijking met jongeren, en dit werd in een Belgische studie bevestigd voor trans ouderen (Motmans, Meier, Ponnet, & T’Sjoen, 2012).

In het onderzoek van Bouman et al. (2016) in een groep van transvrouwen van 50+ blijkt dat ook in deze leeftijdsgroep de positieve correlatie van HRT met het psychologische en psychosociale welbevinden merkbaar was, net zoals dit het geval is bij jongere transpersonen. Over langdurig hormoongebruik is er tot op heden geen uitsluitsel, wegens gebrek aan data op lange termijn. Op middellange termijn geven de onderzoeken wel aan dat hormoongebruik een veilige therapie is.

 

 

 

Joz Motmans