De voorbije decennia is er een verschuiving in hoe de relatie tussen een transgender identiteit en psychiatrische stoornissen wordt beschouwd: van een transgender identiteit als onderdeel van een psychiatrische stoornis (zoals schizofrenie), naar een transgender identiteit als afzonderlijk fenomeen losgekoppeld van psychiatrische stoornissen.

Wat betreft de prevalentie van bijkomende psychische problemen bij volwassenen die transgender of genderzoekend zijn, toont een recent overzicht duidelijk aan dat affectieve problemen (angst en depressie) meer voorkomen in vergelijking met de algemene bevolking (Dhejne et al., 2016). Het voorkomen van psychotische stoornissen, bipolaire stoornissen en eetstoornissen is vergelijkbaar met de algemene populatie.

Een follow-up studie doorheen een genderbevestigend proces vond verhoogde scores op angst en depressie voor de start van dit proces, maar significante dalingen in angst, depressie, interpersoonlijke sensitiviteit en vijandigheid na de start van de genderbevestigende behandeling. Ook lagen de psychopathologische parameters in lijn met de algemene bevolking nadat hormoontherapie was gestart (Heylens et al., 2014).

Uit onderzoek blijkt dat de prevalentie van suïcidale gedachten en zelfverwonding bij transgender personen alarmerend hoog ligt, met suïcidale gedachten van 37% tot 83% (McNeil et al., 2017), in vergelijking met een prevalentie van 9,2% voor de algemene bevolking (Nock et al., 2008). Dezelfde trend valt op te merken voor de prevalentie van zelfmoordpogingen, met cijfers van 9,8% tot 44% (Miller et al., 2015), opnieuw veel hoger dan de prevalentie van 2,7% voor de algemene bevolking (Nock et al., 2008). Helaas liggen ook de cijfers met betrekking tot dood door suïcide hoger voor transgender personen dan voor de algemene populatie (Wiepjes et al., 2020). Dit suïciderisico lijkt voor te komen tijdens elke fase van het transitieproces, maar lijkt af te nemen in tijd, vooral voor transgender vrouwen. Het is belangrijk om specifiek aandacht te hebben voor dit suïciderisico bij counselling voor transgender personen, en om suïcidepreventie programma’s aan te bieden.

Verschillende studies toonden reeds aan dat de mentale gezondheid van transgender persoon sterk gelinkt is aan de ervaring van geweld en discriminatie, en een algemeen gebrek aan sociale aanvaarding en sociale steun. Ervaringen met victimisatie, geïnternaliseerde minderheidsstress, problemen met zelfaanvaarding, angst voorafgaand aan de coming out, zorgen omtrent negatieve reacties op het overschrijden van binaire gendernormen, en gebrek aan ouderlijke steun en aanvaarding, zijn allen direct gerelateerd aan suïcidale gedachten en zelfbeschadiging.

Studies gefocust op jongeren tonen gelijkaardige patronen aan, waarbij stigmatiserende interacties zoals discriminatie, negatieve reacties tijdens sociale interacties en pesten resulteren in een hogere kans op het ontwikkelen van psychopathologieën. De afwezigheid van hechte relaties met leeftijdsgenoten blijkt de sterkste voorspeller voor emotionele en gedragsproblemen. Een hechte familieband, verbondenheid op school en betekenisvolle relaties, zorg en steun daarentegen, resulteren in 5 keer minder risico op psychologische problemen (Veale et al., 2017; Watson et al., 2019; de Vries et al., 2015). Een beter begrip van deze minderheidsstressoren en weerbaarheidsfactoren kan de mogelijkheid van de zorgverlener verbeteren om samen doelen te ontwikkelen om de behandelingsnoden van transgender en non-binaire personen te adresseren.

Er wordt echter geadviseerd om er differentiaaldiagnostisch wel rekening mee te houden dat in zeldzame gevallen het verlangen man of vrouw te zijn onderdeel kan zijn van een psychotische stoornis. Het onderscheid met een transgender identiteit kan gemaakt worden op basis van de aanwezigheid van andere psychotische symptomen zoals wanen en hallucinaties, en gedesorganiseerd spreken en dergelijke. Eveneens zeldzaam kan het voorkomen dat transgender gevoelens worden beschreven in het kader van een morfodysfore stoornis: daarbij heerst er bijvoorbeeld de hardnekkige overtuiging dat genitalia vies zijn en moeten worden verwijderd. In deze gevallen is er doorgaans geen rapportage van algemene onvrede met het biologische geslacht en identificatie met de daarbij horende genderrol.

De aanwezigheid van psychiatrische problemen dient niet gebruikt te worden als exclusiecriterium voor toegang tot genderbevestigende zorg. Vaak worden deze problemen gezien als iets waar men moet van ‘genezen’ voordat men toegang kan krijgen tot een genderbevestigende behandeling of ingreep. Genderbevestigende zorg en psychotherapie kunnen de mentale gezondheid van een persoon in grote mate ondersteunen, niet in staat zijn toegang te krijgen tot deze zorgen kan daarentegen de mentale gezondheid negatief beïnvloeden. Voor specifieke mentale gezondheidsproblemen kan bijkomende psychologische ondersteuning aanbevolen zijn. Relatie- of gezinstherapie kan ook aangewezen zijn, indien gewenst.

Uit een recente review bleek dat na het transitieproces er sterke verbeteringen waren met betrekking tot genderdysfore gevoelens, het psychologisch functioneren en andere psychische problemen, daalde tevens de zelfmoordgedachten, en rapporteerden transgender personen een hogere seksuele tevredenheid en een algemene hogere levenskwaliteit (Murad et al., 2010). Echter, ook na de transitie kan psychosociale steun nog steeds nuttig zijn voor transgender personen, bijvoorbeeld na een relatiebreuk, het verlies van werk of sociale contacten, of omwille van tegenslagen en een gebrek aan sociale steun en aanvaarding.

Het behandelen van genderincongruentie is volgens de huidige medische procedures en protocollen veilig én effectief gebleken. Decennia van klinische ervaring en onderzoek wijzen uit dat het welzijn van trans personen verhoogt door psychologische begeleiding en/of genderbevestigende behandeling (Coleman et al., 2012, p.8). Het gebruik van zogenaamde ‘hersteltherapieën of reparatieve therapieën’ die trachten transgender personen de genderidentiteit passend bij hun geboortegeslacht te doen aanvaarden, worden tegenwoordig als zeer onethisch beschouwd (Drescher, 2013). In sommige landen gaan zelfs stemmen op om hersteltherapieën bij wet te verbieden.”