De voorbije decennia is er een verschuiving qua visie op de relatie tussen genderdysforie en psychiatrische stoornissen: van genderdysforie als onderdeel van een psychiatrische stoornis (zoals schizofrenie), naar genderdysforie als psychiatrische stoornis, tot genderdysforie als apart fenomeen losgekoppeld van psychiatrische stoornissen. Ondanks deze verschuiving is het aan te raden om differentiaaldiagnostisch wel in acht te nemen dat in zeldzame gevallen het verlangen man of vrouw te zijn onderdeel kan zijn van een psychotische stoornis. Het onderscheid met genderdysforie kan gemaakt worden op basis van de aanwezigheid van andere psychotische symptomen zoals wanen en hallucinaties, en gedesorganiseerd spreken en dergelijke. Eveneens zeldzaam kan het voorkomen dat genderdysfore gevoelens worden beschreven in het kader van een morfodysfore stoornis: daarbij heerst er bijvoorbeeld de hardnekkige overtuiging dat genitalia vies zijn en moeten worden verwijderd. In deze gevallen is er doorgaans geen rapportage van algemene onvrede met het biologische geslacht en identificatie met de daarbij horende genderrol. De transvestiestoornis, waarbij cross-dressing samengaat met seksuele opwinding kan in sommige gevallen zorgen voor verwarring met betrekking tot de genderidentiteit. Bij grondige exploratie blijkt dat seksuele opwinding de drijfveer is tot het omkledingsgedrag. Verder is de identificatie met de genderrol van het tegenovergestelde gender slechts tijdelijk en niet gebaseerd op een fundamentele ontevredenheid met het toegewezen geslacht.

Wat betreft de prevalentie van bijkomende psychische problemen bij volwassenen met genderdysforie, toont een recent overzicht duidelijk aan dat affectieve problemen (angst en depressie) meer voorkomen in vergelijking met de algemene bevolking (Dhejne et al., 2016). Ook het risico op suïcidegedachten en suïcidepogingen is toegenomen: Belgisch onderzoek toont aan dat bijna 40% van transgender volwassenen ooit suïcidegedachten had, en ruim 20% ooit een suïcidepoging ondernam (Motmans et al., 2009). Het voorkomen van psychotische stoornissen, bipolaire stoornissen en eetstoornissen is vergelijkbaar met de algemene populatie. Over het verband tussen genderdysforie en de aanwezigheid van persoonlijkheidsstoornissen is er minder eenduidigheid in literatuur, Heylens et al. (2014) vonden een prevalentie van persoonlijkheidsstoornissen die vergelijkbaar was met de algemene bevolking.

Hoewel beperkt bestudeerd, is duidelijk gebleken dat niet-invasieve behandeling (psychotherapeutisch, medicamenteus) van genderdysforie de incongruentie tussen het toegewezen geslacht en het gewenste geslacht niet of weinig beïnvloedt. Wel kan psychotherapie ondersteunend zijn tijdens het transitietraject. Verder kunnen partner- en familietherapie aangewezen zijn.

Na de transitiefase daalt het voorkomen van psychische problemen drastisch, weliswaar niet tot het niveau van de algemene populatie (Murad et al, 2010). Ook in deze fase kan voor een aantal patiënten psychologische ondersteuning nuttig zijn, bijvoorbeeld omwille van verlies van een relatie, werk of sociale contacten.

 

 

Gunter Heylens