Correct taalgebruik is erg belangrijk in contact met transcliënten. Voor vele hulpverleners is dit echter niet altijd even eenvoudig. Hier kan u alvast enkele tips en wat houvast terugvinden.

Transgender persoon’ (of transpersoon) wordt op deze website gebruikt als een parapluterm voor alle mensen waarvan de genderidentiteit en/of genderexpressie niet, of in mindere mate, overeen komt met het toegewezen geboortegeslacht. Personen waarbij geboortegeslacht en genderidentiteit wel samen vallen worden cisgender personen (cispersonen) genoemd.

Onder deze parapluterm vallen heel wat diverse genderidentiteiten en -expressies. Sommige transpersonen wensen een sociale (bv nieuwe voornaam en aanspreekvorm, genderrolverandering) en/of medische (bv HRT, chirurgie) transitie, waar dat anderen enkel een sociale transitie verkiezen, of zich helemaal niet identificeren met het binaire m/v systeem. De meest voorkomende subgroepen onder de transparaplu zijn de volgende:

  • Transvrouwen zijn personen met een (overwegende) vrouwelijk genderidentiteit, ondanks dat zij bij de geboorte als ‘mannelijk’ werden geregistreerd.
  • Transmannen zijn personen met een (overwegende) mannelijke genderidentiteit, ondanks dat zij bij de geboorte als ‘vrouwelijk’ werden geregistreerd.
  • Sommige personen identificeren zich met beide geslachten, of met geen één van de twee, of met iets totaal anders dan de concepten ‘man’ of ‘vrouw’. Deze worden non-binaire of genderqueer personen genoemd. Ook termen als gendervariant, genderfluïde, genderfree enz. worden gebruikt.
  • Er zijn ook transpersonen die zich slechts op bepaalde momenten wensen te presenteren in een andere genderrol (door kledij bijvoorbeeld): dit wordt cross dressing of travestie genoemd.

Er is dus een zeer grote diversiteit onder de transparaplu! Voor hulpverleners is het erg belangrijk om een sensitieve houding aan te nemen en aandacht te hebben voor culturele en leeftijdsgebonden verschillen. Deze zelf-definities kunnen bij verschillende individuen immers andere betekenissen krijgen. Sommigen verkiezen bv het concept ‘transseksueel’ waar dat anderen dit net als erg pathologiserend ervaren. Als basishouding geldt dat de individuele verkozen terminologie respect verdient.

Verder is het tevens erg belangrijk om te begrijpen dat op het vlak van sekse/lichaam en genderidentiteit veel genuanceerde visies en ervaringen bestaan die verder gaan dan de duale m/v indeling. Tot slot is het ook belangrijk om mee te nemen dat voor een deel van de transpopulatie het transgender-aspect een deel is van hun verleden en niet meer van tel vandaag de dag. Zij worden dan ook niet graag herinnerd aan hun transitie als dat geen medische reden heeft.

Joz Motmans