De meeste transgender personen verlangen evenveel naar een seksueel leven als cisgender personen, maar sommige trans personen hebben een gecompliceerde relatie met hun lichaam. Hierdoor blijft seksualiteit vaak een delicaat onderwerp, zowel tijdens psychologische begeleiding als in het privéleven. Een transitie en eventuele genderbevestigende behandeling voor wie dit wenst kunnen een positieve invloed hebben op de seksuele beleving, al kan er ook op andere manieren omgegaan worden met eventuele ambivalentie rond seksualiteit.

Effect van de genderbevestigende behandeling

Zowel een hormoonbehandeling als genderconfirmerende operaties hebben invloed op de seksuele beleving.

De hormoonbehandeling heeft effect op het seksueel verlangen en de seksuele opwinding: het gebruik van testosteron is geassocieerd met een toename in seksueel verlangen en opwinding (Elaut et al., 2011), terwijl de inname van oestrogenen juist vaak voor een afname in seksueel verlangen zorgt, alsook het minder makkelijk tot niet meer krijgen van erecties (Elaut et al., 2008). Onder invloed van hormonen kan ook het orgastisch gevoel veranderen (De Cuypere et al., 2005). Door het gebruik van testosteron zal de clitoris groeien en gevoeliger worden, maar de vagina wordt soms ook minder vochtig. Dit kan voor irritatie zorgen bij seksueel contact. Hormoontherapie heeft verder ook een effect op de vruchtbaarheid van trans personen.

Genderbevestigende operaties hebben doorgaans een positief effect op de seksualiteitsbeleving van trans personen, wanneer de tevredenheid met het lichaam wordt vergroot. Genitale genderbevestigende operaties kunnen de tevredenheid met het lichaam vergroten en genderdysforie doen afnemen, maar de ingrepen kunnen ook geassocieerd worden met fysieke beperkingen van de nieuwe genitaliën en pijn na de ingreep, psychologische moeilijkheden om het nieuwe lichaam te accepteren en sociale aspecten verbonden aan het veranderen van gender (Holmberg, Arver & Dhejne, 2019). Potentiële seksuele problemen die transgender personen kunnen ervaren kunnen in alle fasen van de chirurgische behandeling voorkomen, daarom wordt samenwerken met een seksuoloog met expertise in het werken met transgender personen aanbevolen (T’Sjoen et al., 2020).

Belangrijk om in het achterhoofd te houden is de diversiteit en mogelijkheden die seksuele praktijken bieden voor zowel transgender als cisgender personen. Hoewel sommigen een meer traditionele kijk op seks hebben, met nadruk op genitaliën en penetratie, zien anderen seks in een breed scala aan mogelijkheden wat betreft erogene zones van het lichaam en seksuele praktijken.

Veel studies naar seksualiteit bij transgender personen focussen op seksueel functioneren: de capaciteit om een orgasme te bereiken of de mogelijkheid tot penetratieve seks. Uit deze studies blijkt dat de meeste trans personen kunnen na een operatie een orgasme bereiken, via masturbatie of via seksueel contact (De Cuypere et al., 2005; Holmberg et al., 2019). Na een metadoioplastie is penetratie met de penis meestal niet mogelijk. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van een voorbinddildo of penisprothese. transgender personen die een falloplastie ondergingen kunnen wel penetreren, mits er tijdens een bijkomende operatie een erectieprothese wordt geplaatst. De meest gevoelige plek zit voor trans mannen met een fallo echter niet aan de top van de penis maar aan de schacht, waar eerst de clitoris zat. transgender personen die een vaginoplastie ondergingen kunnen vaginale penetratieve seks hebben, maar worden meestal niet vochtig genoeg bij seksuele opwinding. Het gebruik van glijmiddel is daarom aangewezen. De meest gevoelige plaats voor transgender personen met een vaginoplastie is de clitoris.

Seksueel genot na een genderbevestigende behandeling blijft weinig onderzocht bij transgender personen. Echter, zelfs als het seksueel functioneren beperkt wordt, rapporteren de meeste transgender personen postoperatief een grotere tevredenheid met hun seksueel leven (De Cuypere et al., 2005; Nobili et al., 2018; Wierckx et al., 2011).

HIV en SOA

Het onderzoek rond de prevalentie van HIV en andere seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA) bij trans personen is beperkt. Amerikaans onderzoek geeft aan dat de prevalentie van HIV bij trans vrouwen veel hoger zou zijn dan binnen de algemene bevolking (Operario, Soma & Underhill; 2008; Herbst et al., 2008; Becasen er al., 2019), maar er bijna geen betrouwbare prevalentiecijfers voor handen voor transgender personen in Vlaanderen, België of Europa (Van Schuylenbergh, Motmans & Coene, 2017). Voor alle transgender personen geldt dat het HIV risico sterk afhankelijk is van de seksuele partner(s). Transgender personen die orale of penetratieve seks hebben met partners met mannelijk geboortegeslacht, lopen meer risico dan transgender personen die geen penetratieve seks hebben of protheses gebruiken bij penetratie. Er is slechts beperkt risico voor trans mannen en non-binaire personen met vrouwelijk geboortegeslacht die enkel seks hebben met andere personen met vrouwelijk geboortegeslacht. Er is echter heel weinig onderzoek over het risico op HIV voor trans mannen en non-binaire personen, ongeacht hun geboortegeslacht.

Ongeacht of men operaties heeft gehad of niet, blijft het belangrijk om besmetting met SOA te voorkomen door het gebruik van bijvoorbeeld condooms, al kan dit voor trans personen soms een probleem zijn. Je leest er meer over onder ‘veilig vrijen’.

Veilig vrijen

Aangezien hormoontherapie op termijn de vruchtbaarheid van transgender personen kan aantasten, is het zeer onwaarschijnlijk dat een transgender persoon die testosteron gebruikt zwanger raakt. Wanneer de hormoonbehandeling echter gestopt wordt en de eisprong terug op gang komt, is het mogelijk dat een trans persoon waarbij vagina, baarmoeder en eierstokken nog aanwezig zijn bevrucht wordt na vaginaal seksueel contact. Een persoon die een penis heeft en geen testesverwijdering heeft gehad, kan een cisgender vrouw bevruchten. Veilig vrijen is dus ook voor transgender personen belangrijk om zowel zwangerschap als besmetting met SOA te voorkomen.

Informatie rond veilig vrijen is zo goed als altijd gefocust op cisgender personen. Er zijn echter een aantal transspecifieke aspecten die doorgaans niet worden opgenomen binnen relationele en seksuele vormingsprogramma’s. Een penis na metadoioplastie is bijvoorbeeld doorgaans te klein om een standaard condoom te gebruiken. Een alternatief zijn speciale kleine condooms of beflapjes, hoewel deze doorgaans moeilijker te verkrijgen zijn. Voor transgender personen met vrouwelijk geboortegeslacht die ervoor kiezen om de vaginale opening te behouden is bij penetratie het gebruik van een condoom door de partner aangewezen, of een vrouwencondoom. Een mogelijk gevolg van een testosteronbehandeling is vaginale droogte, wat het gebruik van condooms oncomfortabel kan maken en het risico op scheurtjes tijdens penetratieve seks verhogen.

Na vaginoplastie gebruiken transgender personen best, naast condooms om zich te beschermen tegen SOA, ook glijmiddel op water- of siliconenbasis, aangezien de vagina minder tot niet vochtig wordt bij seksuele opwinding. Na vaginoplastie is het aangewezen voorzichtig te zijn bij anale seks, aangezien het weefsel tussen de nieuwe vagina en het rectum dun is. Tijdens het vrijen wordt best een condoom en extra glijmiddel gebruikt. Ook het “fisten”, of gebruik van de vuist om te penetreren, van de vagina na vaginoplastie wordt afgeraden, aangezien de vagina minder elastisch is dan deze van een cisgender vrouw.

Seksueel gedrag is binnen onze huidige maatschappij sterk gegenderd: actief, dominant gedrag (penetratie) wordt aan mannen toegeschreven, passief gedrag aan vrouwen. Dit kan voor verwarring, vermijding of ambivalentie rond seksualiteit zorgen voor transgender personen. Dit is ook zo wat betreft voorbehoedsmiddelen: het gebruik van condooms wordt doorgaans als iets mannelijks beschouwd, en trans mannen kunnen het onaangenaam vinden om een vrouwencondoom of beflapje te gebruiken. Het is soms makkelijker voor transgender personen om lichaamskenmerken en seksueel gedrag los te koppelen van gender bij het bespreken van veilig vrijen: leg de nadruk op welk voorbehoedsmiddel gebruikt kan worden bij aanwezigheid van een bepaald geslachtsdeel of het stellen van een bepaalde handeling, zonder deze toe te wijzen aan mannen of vrouwen. Daarnaast hebben ook niet alle transgender personen dezelfde lichamelijke kenmerken: sommigen zijn nog bezig met hun transitieproces en anderen vinden bepaalde stappen in de transitie niet nodig. Nog anderen hebben geen toegang tot bepaalde behandelingsopties omwille van medische of financiële barrières. Vermijd daarom zeker assumpties met betrekking tot de anatomie van transgender personen.